|
Dag 16: Stilfserjoch / Passo di Stelvio (2.757m) - Bórmio - Passo di Gávia (2.621 m)- Ponte di Legno - Passo di Tonale (1.884 m) - Ossana 90 km
Het is snijdend koud op de pas maar het slechte weer is definitief voorbij. Een stralend
blauwe hemel strekt zich boven me uit en een maagdelijk witte wereld onder me. Daar
tussenin klimt de zon boven de bergen en dompelt het sneeuwtapijt in een oranje gloed.
Benden zie ik de haarspelden die ik gisteravond omhoog heb gefietst. Lang geniet ik
niet van het uitzicht. Het is ijzig kouden er staat een briesje die door mijn huid
heen lijkt te snijden. Ik vlucht naar binnen, rust nog een uurtje uit en begin vervolgens
rustig aan mijn ontbijt. Om half 8 ben ik klaar en heb ik mijn fiets gepakt. Het vriest
nog steeds maar het is zeker tien graden warmer; over een half uurtje zal het dooien.
Ik begin aan de afdaling naar Bórmio. Het is wel uitkijken; af en toe moet ik om een
ijspassage heen fietsen en een enkele korte passage is helemaal niet te vermijden.
Niet remmen is dan natuurlijk het devies. Het duurt niet lang voordat ik in de dooizone
ben aangekomen. Ik kan nu meer ontspannen fietsen en genieten van de witte bergen om heen.
Het landschap is niet zo hoogalpien als de andere zijde van de pas maar het is er
niet minder indrukwekkend om. De uitzichten zijn soms adembenemend. De laatste kilometers
van de afdaling is er geen sneeuw meer om me heen en fiets ik door naaldbossen. Overal
steken scherpe rotspieken boven me uit. De Stelvio is zeker een van de mooiste passen
van Europa.
Ik bereik Bórmio, een stadje op 1.200 meter hoogte, midden tussen de Stelvio en de al even
roemruchte Gávia in. Het is de eerste echte Italiaanse stad die ik bereik - de
dorpen en stadjes van Sudtirol zijn qua sfeer veel meer Oostenrijk dan Italië.
Het is al aardig opgewarmd en de Italiaanse dames zijn gekleed op een zomerse Italiaanse
dag. Ongelooflijk te bedenken dat ik een uurtje geleden nog door sneeuwlandschappen
heen fietste. Dat is een deel van de charme van het reizen op de fiets: de veranderingen gaan snel en
de beleving is intens met alle zintuigen. De eerste espresso van Italië bevalt goed,
ik kan me intussen mentaal prepareren om de klim naar de Gávia te beginnen.
Ruim 1.400 hoogtemeters scheiden me van de top. Daarmee is de klim weliswaar lang
maar niet zo lang als de Stelvio gisteren. Ik loop nog wat met de fiets aan de hand
door het stadje en begin aan de klim.
Het begin van de klim is al gelijk bijzonder; aan de westzijde doemen indrukwekkende
rotswanden op. Met name de volledig besneeuwde rotsmuur van de 3.859 meter hoge Königsspitze
imponeert. De klim is nog niet steil. Pas vanaf Santa Caterina, halverwege de afstand naar
de pas, word ik serieus op de proef gesteld. De klim blijkt erg onregelmatig en de wegkwaliteit is
aanzienlijk minder dan die van de Stelvio. Door de gaten in de weg en de vele asfaltklodders op de weg
loopt de klim niet. Dat is aan de ene kant wellicht vervelend maar aan de andere kant moet een klim als de
Gávia ook niet al te gemakkelijk gaan; ik wil graag in de mystiek van de klim kunnen
blijven geloven. Nu ja, dat lukt dus maar al te goed en des te beter als ik hoger kom en weer
in de sneeuwlandschappen beland. In de uren dat de zon op is, is de sneeuwgrens al
aanzienlijk omhoog gekropen; ik had niet veel later moeten zijn. Dit zijn toch de mooiste
omstandigheden die je kunt meemaken. En dat nog wel op een van de mooiste passen van de Alpen.
Ik bereik de pas, waar ik een uurtje pauzeer.
Als ik aan de afdaling begin, is bijna alle sneeuw al weggesmolten. De afdaling is
steil voor mijn volbeladen fiets en voorzichtig daal ik over het smalle weggetje.
De afdaling is spannender dan die van de bredere Stelvio, soms zijn er luchtige uitzichten.
Volkomen uit het niets doemt er ineens een tunnel op. Ik kan geen noodrem maken, omdat
een treintje auto's op enkele meters achter me rijdt - dat is hier blijkbaar het lokale gebruik.
Ik schrik me wezenloos. Ik suis in volle vaart de tunnel in, die volkomen onverlicht blijkt te zijn
en ook nog eens bochten bevat. Het is aardedonker en ik zie helemaal niets. Ik maak
een noodrem en vlieg gelukkig niet tegen de tunnelwand. Langzaam raken mijn ogen gewend maar
er zijn nog meer gevaren: er zijn ook auto's in de tunnel. Ik heb me niet voorbereid
en heb mijn lichten en reflecterende hesje in mijn fietstassen. Daar heb ik nu dus
niets aan. Gelukkig is de tunnel maar kort en fiets ik veilig het donkere gevaar uit. De
rest van de afdaling gaat voorspoediger en ik bereik Ponte di Legno. Ik wil vandaag nog een
pas oversteken: de 1.884 meter hoge Passo di Tonale. De laatste klim is geen hoogtepunt
na de fantastische krakers van de Stelvio en de Gávia. De weg is breed en ook erg druk.
Het is zondag en er zijn veel mensen die bedacht hebben om vandaag eens over de Tonale
te gaan rijden. Het is hier beneden opvallend heet, misschien wel dertig graden. Wat een
contrasten vandaag. De klim naar de Tonale gaat door rommelige wintersportgebieden en
de pas is misschien wel een van de minst mooie stukken van de Alpen.
De afdaling is ook niet veel soeps maar eenmaal beneden zijn sfeervolle dorpen en af en toe
mooie doorkijkjes naar hoge Alpentoppen. Ik vind een leuke, typisch Italiaanse, camping
in Osanna.
Dag 17: Ossana - Dimaro - Campo Carlo Magno (1.682 m) - Madonna di Campiglio - Pinzolo - Storo - Passo di Amporo (782 m) - Pieve di Ledro 115 km
Ik wil vandaag het Lago di Ledro bereiken, een meertje vlakbij het Gardameer waar vrienden verblijven.
Dat is nog wel zeker honderd kilometer fietsen door de bergen maar het lijkt een haalbaar doel
te zijn. De dag begint met een afdaling naar Dimaro. Onderweg zijn er mooie uitzichten op de
3.769 meter hoge Cevedale, een kleine drieduizend meter boven het dal. Vanaf Dimaro fiets ik
zuidwaarts en klim naar de 1.682 meter hoge Passo Campo Carlo Magno. De klim is niet zo
spectaculair en eindigt in weinig esthetische wintersportgebieden. Wel zijn er
spectaculaire uitzichten op het Brenta Massief. De afdaling naar Pinzolo biedt nog meer
mooie uitzichten. Daarna is het voorbij. De bergen worden in rap tempo minder hoog. Het
wordt steeds heter en vochtiger en de tegenwind zwelt aan tot ongemakkelijke
proporties. Mijn inspiratie zakt weg tot een halflauw niveau. Het valt ook nog eens
tegen als de afdaling onderbroken wordt door een klim. Een pasje die ik over het hoofd heb gezien.
Het adrenalineniveau ligt onder het nulpunt als ik na enkele uren Storo bereik. Ik moet nu alleen
nog maar de Passo di Amporo over. Het landschap is ineens toch weer bijzonder. De weg slingert langs, tussen
en door grillige rotspunten omhoog. Het landschap is hypergroen; ook op de steile rotsen weten
de bomen zich redelijk te handhaven. Ik bereik de pas en daal af naar het lieflijke meer.
Het vinden van het appartement van mijn vrienden kost maar liefst anderhalf uur maar ik
ben blij dat ik het heb gehaald.
Dag 19: Pieve di Ledro - Riva del Garda - Rovereto - Pian delle Fugazze (1.156 m) - Schio - Thiene - Bassano di Grappa 120 km
Er zijn twee routemogelijkheden vanaf Pieve di Ledro daal naar het Gardameer. Er is een
geasfalteerde weg maar er is ook een mountainbikeroute. Ik daal af over de mountainbikeroute.
Deze wordt superspectaculair als de trail ineens twee- tot driehonderd meter
verticaal boven het meer uitkomt. Het vervolg van de route naar het Gardameer is uitgehouwen
tegen en soms ook door de verticale rotswanden en eindigt uiteindelijk in Riva del Garda,
het noordelijkste punt van het Gardameer.
Ik wil in twee dagen naar Venetië fietsen; ik houd hiertoe een oostelijke koers aan.
Via Rovereto en de bergen van Trentino zal ik vandaag proberen Bassano di Grappa te bereiken,
in de zone waar de Povlakte overgaat in de Alpen. Maar eerst nog het obscure bergland van Trentino
doorsteken dus. De Alpen zijn hier niet zo hoog meer, de hoogste bergen zijn lage tweeduizenders.
De pas die ik moet oversteken, de Pian delle Fugazze is 1.156 meter hoog. Op het eerste gezicht allemaal
niet zo indrukwekkend dus. Wat het fietsen betreft, de klim begint laag en uiteindelijk moeten er
netto duizend hoogtemeters overwonnen worden. Omdat het geen klim uit een stuk betreft maar een
gebroken klim met veel kleine afdalingen, zijn het aantal bruto hoogtemeters nog een stuk meer.
Het is heet en vochtig weer, wat de omstandigheden zwaar maakt. Alles bij elkaar is dit een klim
die niet onderdoet voor de bekende 'hoge' klims in de Alpen. De dorpen waar ik doorheen fiets,
zijn sfeervol maar zo goed als uitgestorven. De verlatenheid is karakteristiek; ik heb het gevoel
dat ik echt aan het ontdekken ben. Wat het landschap betreft, dat is ontzettend groen en dat is steil.
In het gebied rond de pas zijn er zelfs gigantische rotspieken. Het meest indrukwekkend is wel het gedeelte
aan de overzijde - aan de oostelijke kant - van de pas. De Pasúbio is een grillige rotswand
met jachtige pieken, een beetje zoals de Dolomieten. Maar waar de Dolomieten als losse blokken in het landschap
staan, daar gaat de rotswand van de Pasúbio dynamisch over in een steile, wild begroeide helling die
steil doorloopt tot op het dalniveau, honderden meters lager. De toppen zijn half opgenomen door
moessonachtige wolken. Alles bij elkaar wordt de suggestie gewekt van een tropische bergketen, een bergketen
die veel hoger lijkt te zijn dan de werkelijke hoogte. De doorsteek door het bergland eindigt in Schio.
In een klap bevind ik me in de Povlakte. De magie is er gelijk af, daar er geen rustige wegen zijn die
parallel aan de Alpen naar het oosten lopen. Een probleem is dat er een misselijkheid komt opzetten. Ik heb
in de bergen nogal eens water getapt bij kraantjes in de dorpen en misschienwas het water bij een van
de kraantjes niet in orde. De laatste kilometers zijn een lijdensweg. Ik storm het eerste het beste
hotel van Bassano di Grappa binnen. Er is een sublieme zonsondergang die het prachtige stadje in een
buitenwereldse gloed dompelt maar ik heb er geen oog voor. Ik gris de hotelsleutel uit de handen
van de stomverbaasde receptioniste en trek een sprint naar mijn kamer, waar ik juist op tijd het toilet
bereik. Als alles eruit is, komt een acute koortsaanval opzetten. Dit gaat de verkeerde kant op.
Ik kruip onder de dekens en geloof het verder allemaal wel.
Dag 20: Bassano di Grappa - Castelfranco - Mirano - Fussina / Venetië 73 km
Badend in het zweet word ik wakker. En... eigenlijk voel ik me al weer behoorlijk opgeknapt.
Weliswaar heb ik nog geen trek maar een stukje fietsen zit er wel in. Het is niet zo
geweldig ver naar Ventië en het is een volkomen vlak parcours. Ik besluit maar gewoon
van start te gaan, dan zie ik wel hoe het loopt.
Zo gezegd, zo gedaan. Ik fiets door de dorpen en stadjes van de Veneto. Ik vraag me af of
de route naar Venetië me bekoord zou hebben, als ik helemaal fit was. Nu ik me niet honderd
procent voel, bevalt het vlakke landschap me eigenlijk wel. De stadjes hebben hele karakteristieke,
langwerpige kerktorens, meestal roze van kleur. De weggetjes door het gebied zijn betrekkelijk rustig
en er zijn veel dorpjes onderweg die het ritme breken. Al met al is de afstand betrekkelijk snel overbrugd en
nog voor 12 uur sta ik aan de Adriatische Zee bij het plaatsje Fussina. Hier is een reusachtige camping,
gericht op bezoekers van Venetië. Ik zet mijn tent op en neem een douche en ik ben op tijd bij de
haven om de boot van 2 uur naar Venetië te nemen. De rest van de dag slenter ik door de steegjes en over de
kanalen van de stad die door Frank van Rijn het 'Giethoorn van het Zuiden' wordt genoemd. Vantevoren werd ik
gewaarschuwd. "Je zult door de kanalen moeten zwemmen want het is zo druk dat je anders de stad niet
inkomt." "Nog drukker dan Old Delhi." Als ik in de middag door Venetië slenter, is de stad echter
helemaal verlaten. Waar zijn ze, de toeristen?? Niemand die het weet. De gondeliers staan er
bedremmeld bij en de cafe's en restaurants hebben hun tafels voor niks gedekt. Voor niks?
Niet dat het gratis is. Als ik uit medelijden voor al die werkloze cafebazen ergens een hapje eet,
blijkt er 3 euro in de prijs opgenomen te zijn voor het dekken van de tafel. Ik hoor
een verhaal van twee japanners die een rekening van ruim zesduizend euro kregen na een diner in
Venetië. Voor dat geld kun je dus tweeduizend keer de tafeldekken.
Dag 21: Fussina - Mira - Stra- Padua - Arqua Petrarca - Monsélice - Ferrara 149 km
Zo fiets je door de sneeuw, zo fiets je door de verstikkende, plakkerige hitte van de
Povlakte. Ik fiets nu recht naar het zuiden en koers af op Toscane. De Povlakte
ligt als een braadpan tussen de Alpen en de Apennijnen (de randen van de pan) en ligt er
vies heet bij. Een kleffe, vochtige tegenwind begroet me en verlaat me de hele dag
niet meer. De braadpan kan dus ook als stoompan dienen. Gestoomd, gebraden en uitgewrongen
bereik ik na een lange dag fietsen zonder hoogtepunten Ferrara, de eerste plek met een camping.
Gelukkig is er gezelligheid op de camping met de nodige collegafietsers, waaronder zelfs een
groepsfietsreis.
Dag 22: Ferrara - Mezzolana - San Lazzaro - Zena - Loiana - Passo della Raticosa (968 m) - Passo della Futa (903 m) - Monte di Fo 139 km
Ik begin de dag met het verkennen van Ferrara. Ik heb een aangename indruk van de stad.
De kathedraal is sfeervol en de straatjes van het centrum zijn plezierig rustig. Wat een
terugkerend probleem lijkt te worden, is het vinden van de juiste uitvalsroute uit de Italiaanse
steden. Het is een doolhof in de eenrichtingsstraatjes en er staat niets maar dan ook echt
helemaal niets aangegeven. Ik mis de juiste afslag en rijd de halve stad rond totdat ik de
supermarkt herken waar ik gisteren mijn boodschappen haalde. Dat was vlak bij de camping
aan de noordzijde van de stad. Nu het bewolkt is, kan ik me ook op de zon niet oriënteren.
Na een paar kilometer terug fietsen over de rondweg, zie ik de plek waar ik af had moeten slaan.
De wind is gedraaid en vandaag heb ik meewind in plaats van tegenwind. Bovendien is
het behoorlijk afgekoeld. Niet dat het nu koud te noemen is, maar dat mag je in Augustus
in Italië natuurlijk ook niet verwachten. Het zonnetje komt er bij en het landschap is niet onaardig.
Ik bevind me nog steeds in de Povlakte maar ik nader de Apennijnen snel. Ik trek verder door de dorpen en
landerijen en ik krijg de Apennijnen in zicht. Ik passeer Bologna op tien kilometer oostwaarts, in het plaatsje
San Lazzaro. Dit is niet bepaald het mooiste stadje van Italië maar wel het begin van de klim over de
Apennijnen. Ik fiets over een smal weggetje naar Zena. De heuvels om me heen worden steeds hoger.
Het landschap om me heen lijkt op het Toscaanse landschap met glooiende heuvels, laantjes met
cipressen, okergele akkertjes en een verdwaald huisje op een heuveltop. Het verschil is
dat de heuvels wel een stuk hoger zijn. Met een steile klim beland ik op de doorgaande weg
naar de Passo della Raticosa. Het blijkt er stervensdruk met motorrijders te zijn. Het is
zondag en dan schijnt het normaal te zijn dat de Italiaanse motorrijders massaal deze route rijden.
Het is gedaan met de rust, totdat ik de pas heb overgestoken. Het begint laat te worden, dat is mijn geluk.
De zon staat al laag en geeft prachtige strijklichten over de bergen en dalen. De panorama's
zijn schitterend in de verbinding van de Passo della Raticosa en de Passo della Futa. Voor deze
tweede pas hoef ik nauwelijks te klimmen. En ik hoef ook nauwelijks te dalen want al gauw
vind ik een camping, de Monte di Fo. Dit blijkt een leuke, typisch Italiaanse familiecamping te zijn.
Geen Nederlanders en ook geen andere buitenlanders hier, op een echtpaar na waarvan de man ook ooit over deze
pas heen gefietst is.
Dag 23: Monte di Fo - Florence - Impruneta - Grave in Chianti - Castellina in Chianti - Siena 118 km
Ik ontbijt op de camping en pak mijn spullen. Onder een prille ochtendzon soes ik
naar beneden. De afdaling draait om tal van kleine heuveltoppen. Elke honderd meter
verandert het uitzicht compleet. Beneden ligt een groot meer, daarachter liggen weer nieuwe bergen.
Na de lange afdaling moet ik dan ook nog flink aan de bak. Na veertig minuten heb ik de heuvelrug
overgestoken en daal ik opnieuw af. Deze afdaling is al net zo mooi als de vorige. Ver beneden me
ligt Florence, daarachter de heuvels van Chianti, een van de bekendste gebieden van Toscane. Na tien minuten
afdaling ben ik al weer beneden en in een ruk daal ik door naar de Duomo. Ik ben in 2003 ook al in Florence
geweest en neem daarom nu niet weer uitgebreid de tijd om alle kerken in te gaan. Ik fiets door naar
de rivier de Arno en steek deze over om aan de andere kant van de stad weer omhoog
te fietsen, de heuvels van de Chianti in. Onderweg passeer ik een mooi uitzichtspunt. Daarna ben ik
definitief in de heuvels van Chianti. Het is intussen flink opgewarmd en de temperatuur zal rond de
vijfendertig graden zijn. Omdat de lucht droog is, is het voor een warmteminnend mens als
ik net uit te houden. Wel zweet ik als een otter op de vele kleine klims. De wegen zijn soms
venijnig steil, al met al een parcours dat gemakkelijk te onderschatten is. Het landschap is precies
wat van Toscaanse landschappen verwacht mag worden: glooiende heuvels, dorpjes, huisjes of kerktorens
op de heuveltoppen en landerijen op de flanken van de heuvels. In tegenstelling tot andere
gebieden in Toscane betreffen de landerijen vaak wijnbouw, waardoor de heuvels een verrassend
groen aanzien hebben. Op een mooie heuveltop eet ik in een restaurant met een
schitterend uitzicht over het dal. Ik heb nog nooit truffels gegeten en ik besluit me deze primeur niet
te misgunnen. De Toscaanse specialiteit is mijns inziens enigszins overgewaardeerd ten opzichte van
andere paddestoelen zoals onze eigen champignon. Ik heb honger en gooi mijn bakje parmezaanse kaas
volledig leeg over de spaghetti en de truffels. De exquise smaak van de truffel is nu volledig verdronken in de
veel krachtigere smaak van de parmezaanse kaas en eigenlijk is het wel zo lekker zo. Het levert me de juiste energie
om de laatste heuvels te overwinnen die me scheiden van de camping bij Siena.
Dag 24: Siena - Montenori - Asciano - Pienza - Montepulciano - Tuoro sul Trasimeno 124 km
Het vinden van de juiste uitvalsweg uit een grote Italiaanse stad: daar was iets mee. Waarom staat er
nooit iets aangegeven? Siena ligt op een heuvel en een verkeerde keuze van de weg is duur:
beneden ligt een snelweg met tunnels en een verkeerde keuze betekent dat ik weer terug moet
klimmen. Na drie keer op een verschillende manier op hetzelfde punt te zijn beland en drie keer
voor niks terug te zijn geklommen (plus een eerste keer die ik sowieso moest doen om de stad te bereiken),
ben ik mezelf en de Italianen helemaal zat. In andere landen verdwaal ik nooit! Dat maak ik me althans wijs.
Maar dit slaat wel alles. Ik besluit uit arren moede maar een drukke weg te volgen, die ook nog eens de verkeerde
kant op gaat. Ik wilde eigenlijk de Crete Senesi in rijden maar fiets nu naar Montenori om vandaar de Crete
Senesi te bereiken. Als ik een uur later op de weg van Montenori naar Asciano rijd, bevind ik me alsnog
in de Crete Senesi. Dit zuidelijke deel van Toscane is veel droger dan bijvoorbeeld het Chiantigebied. Hier
domineren de geeltinten. Domineren is eigenlijk zacht uitgedrukt. Het hele landschap is geel, op de onvermijdelijke
cipressen na. Het landschap is buitengewoon panoramisch. Het landschap golft eindeloos met heuvels die naar het
zuiden toe langzaam steeds hoger worden. De 1.700 meter hoge vulkaankegel van de Monte Amiata domineert het
uitzicht. Enkele tientallen kilometers naar het noordoosten verheft de groen Apennijnenketen zich.
Naarmate ik verder naar het zuiden fiets, wordt het uitzicht alleen nog maar weidser. Mooie stadjes
zijn er ook. Pienza en Montepulciano zijn de bekendste maar ook de dorpen liggen allemaal
even mooi gedrapeerd over de heuvels. Voor liefhebbers van guur Hollands najaarsweer zal de Crete Senesi
zich zeker diskwalificeren. Het is droog, heet en hel verlicht. Het moge duidelijk zijn dat dit deel van
Italië een van de hoogtepunten van de reis tot nu toe is. Er valt weer veel te klimmen. Hier geldt:
vijftien minuten klimmen, een minuut dalen en weer opnieuw klimmen. Het is een ritme dat je moet liggen en je
moet zeker niet nadenken over de effectiviteit van de inspanningen. Montepulciano is het hoogste
punt van vandaag; diep onder me ligt een grote vlakte met het Lago di Trasimeno midden in die vlakte.
De laatste dertig kilometer naar het meer zijn niet zo bijzonder meer maar de dag krijgt een klinkende finale als
ik bij een paar Nederlandse gezinnen uitgenodigd wordt op de barbecue. Er is ook nog wijn voor handen
en alles is gezelligheid.
Dag 25: Tuoro sul Trasimeno - Magione - Torgiano - Bevagna - Montefalco - Spoleto 113 km
Het is heiig weer en ik ben niet in mijn hum met mijn omgeving. Een grauw zesminnetje.
Ook de mooie stadjes Bevagna en Montefalco kunnen niet echt imponeren. Bij Spoleto
kom ik aan de voet van de Apennijnen. Spoleto is wel een hele mooie stad en bijna drie
uur slenter ik met de fiets door de stad. De goede stemming is echter weer kwijt gespeeld
als een bord naar de camping 180 graden verkeerd blijkt opgesteld en ik bijna tien kilometer de
verkeerde kant op fiets. De eerste keer dat er in een Italiaanse stad een richting staat aangegeven,
blijkt dit nota bene de verkeerde richting te zijn. En het erge is: morgen zal ik ook
weer door de stad terug moeten fietsen, met nieuwe mogelijkheden tot verdwalen.
Dag 26: Spoleto - Forca di Cerro (747 m) - Valnerina - Cerreto di Spoleto - Preci - Forca d'Ancarano (1.008 m) - Nórcia - Pas (1.520 m) - Castellucio 101 km
Opnieuw ben ik een uur bezig voordat ik de juiste uitvalsweg uit Spoleto heb gevonden.
Ik heb het weer even helemaal gehad met Italië, de Italianen en Berlusconi. Omdat ik niemand anders
kan bedenken om de schuld te geven, moet Berlusconi het ontgelden. Ik ben nog maar net op de goede
weg en het landschap is al heel mooi. Ik fiets op een rustig weggetje zonder enig autoverkeer. Dat is dan weer
het voordeel van een weg die niemand kan vinden: dat er logischerwijs ook geen verkeer is! Ik klim een paar
honderd meter over het stille weggetje naar de Forca di Cerro. Boven aangekomen blijkt dat de achterzijde van
de pas nog veel mooier is. Ik daal af in het donkergroene Valnerina dal, midden in de Apennijnen. Kleine dorpen
liggen fraai tegen de bergen geplakt of in intieme hoekjes in de vallei verscholen. De dorpen zijn
nog heel traditioneel, hier geen nieuwbouw die het vrije uitzicht op de oude dorpskernen ontsiert.
In een dorp komt een mooie jonge vrouw op me af en vraagt hoe ik het hier vind. 'Mooi',zeg ik, niet wetende
of ik nu een compliment maak over het landschap of over de vrouw tegenover me. 'Ja, het is hier heel
mooi', zegt ze. Dan is het stil. Om deze waarheid, daar kunnen we niet om heen. Het is hier inderdaad mooi.
Dan loopt ze schuchter weg en ben ik weer alleen in het imponerende landschap van het
Valnerina-dal in Umbrië.
Ik fiets door naar Cerreto di Spoleto en begin aan een nieuwe klim naar de 1.008 meter
hoge Forca d'Ancarano. De bergen om heen worden steeds hoger. Ik bevind me nu in het
Nationale Park Monti Sibillini. De dorpen worden steeds sfeervoller naarmate ik hoger
kom. De bergen komen al boven de boomgrens en de dalen zijn lieflijk groen, met af
en toe een sfeervolle boerderij of een intiem dorpje. Alles hier heeft een natuurlijke
schoonheid. Na het bereiken van de pas daal ik af naar Nórcia, een sfeervol stadje
in een brede vallei tussen de hoge bergen van de Apennijnen. Wat een mooie landschappen
heeft dit deel van Italië! Ik moet nog een klim maken, de langste van vandaag. Een
kleine duizend hoogtemeters moet ik overwinnen tot de ruim 1.500 meter hoge pas die me
naar Castelluccio moet voeren. Ik maak een kapitale fout door te vergeten om water te
tappen in Nórcia. Ik kom daar helaas pas na een paar kilometer klimmen achter. Ik
besluit dat ik geen zin heb om terug te gaan en dat ik in noodgevallen een auto kan
aanhouden en om water kan vragen. Het blijkt niet nodig. Door heel rustig omhoog te
fietsen, red ik het met mijn beperkte voorraad water en vlak voor de pas blijkt er
een cafeetje te zijn waar ik de voorraad weer kan aanvullen. Ik bereik de pas en rijd
misschien wel het mooiste landschap van Italië in. Voor me uit ligt de hoogvlakte van de
Gran Piano met tien kilometer daarchter de bergen van de Monti Sibillini. De Gran Piano is zo vlak
als een biljartlaken, zonder bomen, maar met prachtige bloemenvelden. De Monti Sibillini is een ruige,
kale bergketen, die de Gran Piano omsluit en het uitzicht domineert. Over een eenzame heuvel in
de vlakte ligt het intens sfeervolle dorpje Castelluccio gedrapeerd. Dit plaatsje heb ik met Willem Hoffmans
ook in onze reis van 2003 al aangedaan maar ook voor de tweede keer faalt dit landschap niet te imponeren.
Ik boek een hotelletje en de rest van de middag geniet ik van de uitzichten.
Dag 27: Castellucio - Forca di Presta (1.536 m) - Arquata del Tronto - Amatrice - Campotosto - Passo delle Capannelle (1.299 m) - Antrodoco - Rieti 156 km
Nog een keer steek ik de Gran Piano over en begin aan de korte klim naar de Forca di Presta.
Ik heb de laatste mooie uitzichten terug. Na het bereiken van de pas volgt een lange afdaling.
Ik daal af in de provincie de Marche en bereik het plaatsje Arquata del Tronto. Terugkijkend zie ik
de witte kalkrotsen van de Monti Sibillini als een gigantische muur boven me uittorenen. Maar dat
landschap heb ik achter me gelaten. Ik bevind me nu in de groene valleien ten oosten van de Apennijnen.
Ik heb de hoge Apennijnen echter geenszins kwijt gespeeld. Vanaf Arquata fiets ik namelijk naar
Amatrice. En niet veel ten zuiden van Amatrice beginnen de Abruzzen. En in de Abruzzen zijn de
hoogste bergen van de Apennijnen. Het verbaast dan ook niet dat ik na Amatrice aan een lange klim
begin. De weg blijft maar omhoog draaien. Zonder een pas te bereiken, daalt de weg na een uurtje klimmen weer.
Dit deel van Italië is erg dunbevolkt. Het is hier erg stil en ik heb al een tijdje geen mensen
meer gezien. Ik bereik een groot meer, waar een bord staat dat de weg die ik van plan was te volgen, nu
is afgesloten. Dat komt wel heel slecht uit! De weg aan de overige zijde van het meer is heel erg ver om. Ik fiets
het dorpje in om te vragen, of het niet mogelijk is om toch de afgesloten weg in te rijden. Er is echter
niemand te zien in het dorp. Ik merk dat ik de stilte van het gebied als onaangenaam begin te ervaren.
Ik durf het niet aan en besluit de omweg te fietsen. Ik heb nu uitzichten over het meer naar de Gran Sasso d'Italia,
met bijna drieduizend meter hoog de hoogste berg van de Apennijnen. Ik kom in het grootste dorp van het gebied.
Hier zijn weliswaar een paar mensen te zien in het dorp maar veel minder dan normaal. Het valt me op
bijna alle huizen hier te koop staan. Ik vraag me af wat er toch aan de hand is in dit gebied. Het lijkt wel
of hier een aardbeving heeft plaats gevonden! Dan dringt het pas tot me door. Ik bevind me natuurlijk in het
aardbevingsgebied van L'Aquila! Het getroffen gebied is blijkbaar veel groter dan ik had verwacht. Ik had
thuis bedacht, dat ik in een brede boog om het aardbevingsgebied zou fietsen maar ik heb er geen moment bij stil
gestaan dat de boog wellicht niet breed genoeg zou zijn! Ik kan ook niet meer terug, dan moet ik zeker
vijftig kilometer terug fietsen door dit sombere gebied. Dan zie ik de eerste tentenkampen en verderop zie
ik nieuwe tentenkampen. Op het mooiste stuk van het meer staan tientallen campers. Volgens Berlusconi
moeten deze mensen maar denken dat het vakantie is. Maar dit ziet er niet uit als vakantie...
Ik voel me niet erg op mijn plek hier, als reiziger tussen al die mensen die huis en haard
zijn kwijt geraakt en misschien zelfs wel familieleden of vrienden hebben verloren. Ik zie dat
de meeste mensen me niet al te vriendelijk aankijken en ik kan me daar alles bij voorstellen.
Ik schaam me dood! Er zit echter niks anders op dan door te gaan. Ik klim naar de 1.299 meter
hoge Passo delle Capannelle om daar de afslag naar het oosten te nemen, weg het aardbevingsgebied uit
naar het gebied rond de Gran Sasso d'Italia. Om 4 uur bereik ik de pas. Tot mijn schrik zie ik
dat ook deze weg is afgesloten. Wanhopig pak ik mijn kaart en zoek naar oplossingen. Wat in ieder
geval niet de oplossing is, is om in dit gebied te zoeken naar een overnachtingsplaats.
Alle hotels staan te koop en ik kan toch niet bij een tentenkamp aankloppen en vragen om een
overnachtingsplaats voor een vermoeide fietsreiziger? Ik zie maar een optie en dat is af te dalen
naar het dal van de Aterno, nota bene de vallei van L'Aquila en dan over de drukke weg van L'Aquila naar Rieti.
Dat betekent dat ik nog een kleine zeventig kilometer te fietsen heb! Nogal een tegenvaller als het al 4 uur in
de middag is! Het is echter niet anders. Ik daal af naar het dal van de Aterno en zie L'Aquila liggen
op nog geen tien kilometer. Overal om me heen zijn tentenkampen. Dan fiets ik langs een paar nieuwe
appartementen waaromheen zich een heleboel mensen hebben verzameld. En een heleboel pers en politie. Het blijkt
een van de eerste opgeleverde nieuwbouwcomplexen te zijn voor de slachtoffers. De sfeer is heel emotioneel.
er zijn natuurlijk heel veel mensen die nog jaren moeten wachten op een woning. En het is hier natuurlijk wel Zuid
Italië, het gaat hier ongetwijfeld met de nodige voorkeursbehandelingen. Het is in ieder geval
het nieuws van de dag, de journaals berichten over niets anders. En ik, ik heb nog een lange weg te gaan.
Ik heb de genietstand definitief uitgeschakeld en de fietsstand aangezet. Ik maak er een lange tijdrit van
en om 8 uur bereik ik Rieti. Ik heb zeventig kilometer de verkeerde kant op moeten fietsen maar het is me gelukt om
het aardbevingsgebied te verlaten.
Dag 28: Rieti - Fiumata - Pace - Leofreni - Pietrasecca - Tagliacozzo - Capistrello - Canistro - Sora 168 km
Wat nu? Helemaal uit koers en zeker driehonderd kilometer veroordeeld tot ontoeristische,
bergachtige gebieden zonder veel faciliteiten. Pas in de buurt van Napels zal ik voor het eerst weer
met zekerheid campings kunnen vinden. Tot daar zal zelfs het vinden van hotels lastig worden.
Bovendien dreigen nog altijd de afgesloten wegen als gevolg van de aardbeving. De eerste twintig kilometer
zal ik helemaal zonder kaart moeten fietsen; mijn plan was om een route te fietsen ten oosten van
het aardbevingsgebied, terwijl ik nu ten westen van het gebied ben. Het plan is dus om eerst terug de
kaart op te fietsen en vervolgens recht naar het zuiden. Zoals Icarus moet ik balans zien te vinden.
Ik moet zorgen dat ik niet te veel naar het oosten afbuig, dan kom ik weer terug in het aardbevingsgebied.
Maar ik moet ook zorgen dat ik niet te ver westelijk afbuig, dan rijd ik weer van de kaart af en dreigt
verdwalen. Dus fiets ik terug over de drukke weg naar L'Aquila totdat ik weer 'op de kaart ben'.
De eerste afslag fiets ik naar het zuiden en al gauw klim ik over een smal weggetje de bergen in.
Ik bereik een groot meer, het Lago del Salto, omgeven door hoge groene bergen. Ondanks de schoonheid
van het landschap zijn hier geen toeristen. Het is hier te ver weg van de grote Europese bevolkingscentra en
misschien is het landschap toch niet bijzonder genoeg. Sowieso zijn de faciliteiten er niet en dan houdt alles
bij voorbaat al op. Ik volg het meer een kleine twintig kilometer en klim daarna verder de bergen in
over een piepsmal weggetje. Ik ben nu beland in buitengewoon perifere gebieden. In de dorpen krijg ik
overfanatieke waakhonden achter me aan. Sommige waakhonden zijn buitengewoon agressief, het lijkt Zuid-Amerika
wel. Bij een splitsing denk ik de rechter weg te moeten hebben maar een waakhond laat me beslist niet door.
Ik durf de confrontatie met deze hond niet aan en moet noodgedwongen genoegen nemen met de vermoedelijk verkeerde weg.
Een half uur klimmen verder blijkt dat ik geluk heb: de vermoedelijk verkeerde weg blijkt achteraf
toch de goede weg te zijn geweest. Niet veel later bereik ik een naamloze pas. Ik bevind me honderden meters
boven het omringende landschap. Een kilometers lange afdaling volgt. Eenmaal beneden aangekomen
blijkt dat ik te ver ben afgedaald. Op de laatste kruising had ik de obscure afslag naar links moeten nemen.
Deze had me in Pietrasecca moeten brengen maar nu ben ik rechtdoor gegaan en ben ik bijna tien kilometer te
ver afgedaald. Ik baal als een stekker; ik moet nu een uur klimmen over een drukke, brede weg totdat ik
alsnog in Pietrasecca ben. Eenmaal aldaar aangekomen moet ik nog een klein uur klimmen over de grote, drukke
weg naar Avezzano.
Een lange afdaling brengt me in Tagliacozzo, waar ik de brede weg naar Avezzano verruil
voor de veel kleinere weg naar Capistrello. Capistrello ligt spectaculair steil tegen een bergwand met
zijn gekleurde huisjes, een fascinerend gezicht. Helaas neem ik hier wel de verkeerde uitvalsweg
waardoor ik tweehonderd meter over de verkeerde weg afdaal. Ik wil niet terug fietsen, een keuze
die wel inhoudt dat ik nog een paar honderd hoogtemeters extra te klimmen heb. Na de omweg
lukt het me toch om de juiste weg te bereiken, de weg door het Val Roveto naar Sora.
Ik bevind me nu in de hoge Apennijnen; aan de linkerhand ligt het Nationale Park van
de Abruzzen en rechts het Nationale Park Monti Simbruini. Het is in dit gebied waar
ik hoop een overnachtingsplaats te vinden. Als er ergens een kans is om een camping
te vinden, dan is het hier. En ik heb geluk: er staat inderdaad een camping aangegeven.
Ik neem de afslag en kan meteen flink aan de bak. Het smalle weggetje voert steil omhoog.
Ik moet noodgedwongen naar het laagste verzet schakelen. Na een half uur klimmen, is
er nog steeds geen enkel teken van leven en ik begin bang te worden dat er iets mis
is. Ik passeer een huis, waar mensen in de tuin zitten en vraag of ik op de goede weg
ban naar de camping. Ja, ik ben op de goede weg, krijg ik te horen. Ik ben op de
goede weg, maar de camping is gesloten. De oplossing is eenvoudig. Afdalen en aan
de andere kant van het dal omhoog, daar is ook een camping. Ik weet ternauwernood
mijn innerlijke agressie te bedwingen, dit soort grappen overkomen me nergens op de
wereld maar in Italië om de haverklap. Ik daal af en ben alweer aan het klimmen
aan de overzijde van het dal. Deze route voert nog wel door enkele dorpen maar de weg
is vreselijk slecht. En de weg verslechtert met elke strekkende meter. De dorpelingen
kijken me meewarig aan, sommige mensen lachen om me; ik voel dat ik niet wordt toegelachen
maar wordt uitgelachen. Ik voel dat de mensen weten dat ik voor niks omhoog fiets. Maar het
is hier Italië en hier is het blijkbaar niet te doen gebruikelijk om elkaar te helpen.
Ik weet eigenlijk al dat het niet goed zit en an een uur zeer steil klimwerk sta ik
voor een dichte camping. Mij hoofd ontploft bijkans van woede dat ik nu alweer verkeerd zit en de
Italianen moeten het opnieuw ontgelden en Berlusconi in het bijzonder, de man die ik
persoonlijk verantwoordelijk houd voor een bevolking die in vijftien jaar oerdom is
gemaakt en gehouden door de Italianen stelselmatig te onthouden van elke vorm van relevant
onderwijs, elke vorm van relevante informatie, de pers monddood heeft gemaakt en het
rechtssysteem vakkundig onderuit heeft getrokken. O ja, heb ik vijftien jaar corruptie
en politiek-zakelijke belangenverstrengeling al genoemd? Ik ben er klaar mee. Na 140 kilometer
door de bergen te hebben gefietst, is het half 8 's avonds, is het nog een uurtje licht en moet ik nog
dertig kilometer fietsen naar de provinciestad Sora, de eerste plaats waar met zekerheid een
overnachting te regelen is. Ik zet al mijn agressie in om hard door het vlakke Val Roveto te fietsen.
Ik moet voor het donker Sora bereiken. In een uurtje heb ik de dertig kilometer overbrugd en intussen
mijn agressieve gevoel kwijt gespeeld. In Sora helpt een motorrijder me om een leuke Bed & Breakfast te vinden.
En dat lukt buitengewoon goed. Ik vind bovendien een uitstekend restaurant waar ik helemaal in de watten word gelegd.
Eind goed, al goed. Al moest het letterlijk en figuurlijk van ver komen. Honderdachtenzestig kilometer
fietsen door de bergen van de Abruzzen, dat is wel wat veel van het goede.
Dag 29: Sora - Broccostella - Casalvieri - Roccasecca - Aquino - Pontecorvo - Sant Apollinare Sessa Aurunca - Carinola - Villa Literno - Qualiano - Pozzuoli 169 km
Hoe kan het ook anders: ik neem de verkeerde uitvalsweg uit Sora. Deze keer heeft het allemaal niet
veel consequenties. Ik vind al snel de goede weg en zet koers naar Casalvieri. Over tal van smalle
weggetjes bereik ik het stadje, vanwaar een weg door een ruig, slechts spaarzaam begroeid, kloofdal
me in Roccasecca brengt. Ik ben nu de Apennijnen doorgestoken. Voor me ligt een brede vlakte.
Een kleine twintig kilometer achter de vlakte beginnen nieuwe heuvels en daarachter: de zee!
Ik fiets eerst de vlakte in, naar het plaatsje Aquino. Hier komt de beroemde dertiende eeuwse theoloog-filosoof
Thomas van Aquino vandaan, onder meer bekend van de vijf wetenschappelijke Godsbewijzen, die overigens vandaag
de dag vrijwel unaniem worden afgewezen in de wetenschappelijke wereld. De huidige bevolking van Aquino
blijkt niet massaal het voorbeeld van hun beroemde mystieke stadsgenoot te volgen in een radicale afwijzing
van het tijdelijke en een heilige toewijding aan het eeuwige. Sterker nog: de sfeer is er een van een
oppervlakkige onverschilligheid. De vrouwen van Aquino houden zich zoals zoveel Italiaanse vrouwen met name
bezig met de drie s-en: schoonheid, schoenen en sieraden. De mannen van Aquino wijden hun leven aan
snelheid - of dat nu op een motor of in een auto is - of hangen een beetje rond. De bevolking van Aquino
onderscheidt zich op geen enkele manier van hun Italiaanse broeders en zusters.
In de middag daal ik van Sessa Aurunca af in de kustvlakte bij Napels, het gebied van de
buffelmozzarella. Maar wat is dit dan? Ik had altijd gedacht dat anarchie hooguit als
een mentale abstractie zou kunnen bestaan, maar hier blijkt dat anarchie wel degelijk bestaat,
hier en nu als fysieke realiteit. Diverse groeperingen hebben in het verleden planmatig een staat van
anarchie te proberen te creëren, wat uit de aard van de zaak een onmogelijkheid is.
Ik ben er altijd van uitgegaan dat elke poging tot anarchie zou stranden in deze paradox: mensen zijn
geneigd om plannen te maken, zelfs als ze chaos proberen te creë worden daartoe plannen gemaakt.
Maar ik bleek er naast te zitten. In dit stukje Italië is het gelukt om een staat van volkomen
anarchie te bereiken, zonder plannen, zonder bedoeling, volkomen spontaan. Anarchie zonder bijbedoelingen,
volkomen chaos. Eerste indruk: het is luidruchtig, het is lelijk en het stinkt afschuwelijk. Het is
een grote mestvaal. Het afval ligt in lange bergen langs de weg maar ook op de weg. Het verkeer is
asociaal tot een niveau dat nog verder gaat dan egoïsme. Asociaal om asociaal te zijn: de
kick van de onverantwoordelijkheid. De weg is tweebaans maar een baan is bezet met geparkeerde auto's.
Stoplichten en voorrangsregels worden vanzelfsprekend niet in acht genomen. Het is hier het recht van
de sterkste. Dat is 1) vrachtwagens 2) BMWs 3) andere auto's 4) opgevoerde scooters 5) ik en
6) voetgangers. Het is vermoeiend fietsen hier. Iedereen kan elk moment zomaar invoegen vanuit de
geparkeerde rij auto's. Daarbij geldt eerst doen, dan kijken. Elk moment kan er een deur openzwaaien
als ik voorbij fiets. Het is een grote toeterorchie. Overal staan mensen ruzie te maken, met breeduit
zwaaiende armgebaren. Het verkeer is een grote teringzooi. Het blijkt verrassend makkelijk om me aan
de nieuwe situatie aan te passen. Na een paar minuten merk ik dat ik ook toeter als iemand
moet opzouten of hef ik mijn armen ten hemel als een BMW onterecht voorrang neemt of een andere
onverantwoordelijke streek uithaalt in het verkeer. De stank van het afval is ondraaglijk. Berlusconi
zei al eens over Palermo toen daar het afval niet werd opgehaald: "Het lijkt hier wel een Afrikaanse stad".
Maar ik denk dat we het intussen beter kunnen omdraaien. Dat we, als in bijvoorbeeld Nairobi
eens een keer door omstandigheden achterstand is opgelopen bij de plaatselijke vuilnisophaaldienst, kunnen
verzuchten: "Bah, het lijkt hier wel een Italiaanse stad". Voor alle mensen die denken dat het een
historische weeffout is dat Italië al zo lang is opgescheept met hun "clown" Berlusconi,
zou ik zeggen, ga eens kijken en je weet waarom wij Balkenende hebben en zij Berlusconi.
Dag 30: Pozzuoli - Napels - Capri - Sorrento 25 km
Na de moordend zware laatste drie dagen, wil ik vandaag een rustdag. Ik bedenk dat ik de vijf kilometer
naar Napels ga fietsen en daar de boot zal nemen naar Capri. Daar zal ik de dag doorbrengen en vervolgens
met de boot naar Sorrento gaan, daar zijn campings. Zo gezegd, zo gedaan. Ik ben al vroeg op pad;
het is zondag en nog voordat de Napolitanen goed en wel wakker zijn, heb ik de stad doorkruist
en zit op de veerboot naar Capri. Napels ligt erg mooi in een ruime baai. De heuvels zijn bezaaid met huizen.
Het uitzicht is compleet met de Vesuvius, de nog altijd actieve vulkaan.
Capri is een eiland met bergen die soms loodrecht uit de zee oprijzen. In een kleine baai
ligt het stadje Marina Grande, waar de veerboot aanmeert. Het dorpje is natuurlijk extreem
toeristisch. Italianen zouden geen Italianen zijn als ze daar geen slaatje uit zouden slaan
en inderdaad: de prijzen liggen drie keer zo hoog als op het vasteland. Ik wil het eiland
met de fiets verkennen en klim omhoog over het smalle weggetje naar het stadje Capri. Eenmaal
daar aangekomen wil ik met de fiets aan de hand over de drukke hoofdstraat door het dorp lopen.
Ik hoor een politiefluitje en even later weer een. Ik sla er geen acht op en loop door totdat
iemand me op mijn schouder tikt. Een man wijst naar een politieagent die komt aangestormd.
'Die is voor jou', wordt me te verstaan gegeven. De politieagent wurmt zich door de menigte
en komt tegenover me staan. Terwijl hij nog uithijgt, kijkt hij me strend aan.
'Het is verboden voor alle verkeer, veiligheidsbeleid.'
'O.' Ik kijk de diender verbaasd aan.
'Dus je mag hier niet komen.'
'Maar ik ben een voetganger', leg ik uit, 'ik loop gewoon met mijn fiets aan mijn hand door de straat.'
'Dat is verboden!'
'O.' Ik ben nog steeds niet onder de indruk. Als fietser word je in Zuid Italië meerdere
malen per dag voor levensbedreigende situaties gesteld door asociale mafiose weggebruikers. Daar wordt nooit
tegen opgetreden en nu word ik aangesproken op het lopen met de fiets aan de hand... Het
moet niet veel gekker worden!
'En hoe moet ik dan van de ene kant van het dorp naar de andere zijde komen?'
'Nou, in ieder geval zonder fiets.'
Het begint erop te lijken, dat de beambte er een serieus punt van maakt.
'U kunt uw fiets buiten het dorp parkeren.'
'Ja maar dan halen ze mijn fietstassen leeg!'
'Dat is niet mijn probleem, dat is uw verantwoordelijkheid.'
Intussen rijden er nota bene auto's door de straat. Ik maak de beambte attent op
het gevaar waaraan de bewoners van Capri ineens zo bruut worden bloot gesteld. De agent
neemt niet eens de moeite om te kijken.
'Deze mensen hebben een vergunning.'
'Mag ik dan ook een vergunning hebben?' vraag ik vriendelijk.
Het geduld van de agent begint duidelijk op te raken want hij wijst bruut dat ik moet
opzouten. Welkom is anders. Voordat ik ook nog geldboetes krijg, trek ik me terug en verlaat het dorp
Capri. En ik verlaat ook het eiland Capri. Ik ben er wel klaar mee. Mij zien ze hier niet meer terug.
Ik neem de eerste veerboot naar Sorrento.
Dag 31: Sorrento - Positano - Amalfi - Ravello - Salerno - Paestum 112 km
Vanaf Sorrento moet er stevig geklommen worden om de pas te bereiken die me scheidt van de Amalfi kust.
De pas ligt op ruim 500 meter hoogte. De moeite wordt beloond met schitterende uitzichten. Aan de noordzijde
heb ik uitzichten terug naar Napels, de Vesuvius en de Golf van Napels. Aan de zuidzijde heb ik uitzicht
over de steile klifkusten van de Amalfi kust. Ik daal af aan de Amalfizijde, waar de weg soms tegen loodrechte
wanden geplakt is. Langzaam maar zeker daal ik af en bereik ik het stadje Positano, dat steil
in een baai ligt met hoge bergpieken die als een kroon boven het stadje liggen. Positano blijkt nog
maar de eerste van een lange reeks dorpen en stadjes die op rotspunten, verscholen in baaien of steil tegen
de kliffen gebouwd zijn. De bouwstijl van de stadjes is misschien nog niet eens zo bijzonder; het is
de dramatische ligging in het landschap dat de stadje en dorpen van de Amalfi kust zo speciaal maken. Alles
bij elkaar doet het gebied aan de Cinque Terra denken, aan de Ligurische kust. Het is vandaag genieten geblazen.
De uren glijden voorbij en voor ik er erg in heb, heb ik het gebied doorkruist. De havenstad Salerno
markeert het einde van de Amalfi kust. Hier zal ik morgen met de veerboot naar Sicilië varen. Ik had
ook nog drie dagen verder door kunnen fietsen naar het zuiden om bij Reggio di Calabria over te steken naar
Sicilië maar dat zou niet uitkomen met de volgende veerboot die ik moet hebben, die van Sicilië
naar Sardinië, die maar eens per week vertrekt uit Palermo. Voor de oversteek naar Sicilië
wil ik nog veertig kilometer naar het zuiden fietsen, naar Paestum. Hier zijn twee oude Griekse tempels, die
ik wil bezoeken. De weg van Salerno naar Paestum is zo vlak als de Nederlandse polder en ondanks
de hitte en de tegenwind fiets ik in twee uur naar de Griekse tempels. In de buurt vind ik ook
een camping. Morgen hetzelfde stuk terug fietsen naar Salerno en dan met de veerboot naar Sicilië.
Lees verder over het vervolg van de reis door Sicilië, Sardinië en Corsica
op de volgende pagina. |